Zestien Vierkante Meter

Zestien vierkante meter….

….is een boek over arbeiderswoningen in Groningse dorpen, niet in de stad Groningen. Daar ontwikkelde de bouw van arbeiderswoningen zich volgens een ander, stedelijk patroon. Met steun van de Woningwet ontstonden daar complete wijken, waarvan de bouw doorging in de crisisjaren. Die ontwikkelingen zijn eerder beschreven, ook voor Groningen-stad. Dit boek vertelt en laat met veel tekeningen en foto’s zien, dat de ontwikkelingen in dorpen heel anders verliepen.

De bouwperiode van de woningen die het boek beschrijft, begint kort na 1900 en eindigt rond 1950. Vroegere perioden zijn ook interessant, maar veel oude arbeiderswoningen zijn inmiddels gesloopt. Als ze er nog zijn, is zelden beschreven wanneer ze werden gebouwd en wie er hebben gewoond. 1900 is wat dat betreft een keerpunt. Onder invloed van de Woningwet uit 1901 werden slechte huizen in kaart gebracht, gesloopt en vervangen door nieuwe huizen speciaal voor arbeiders. Erg snel verliep dit niet, want er was te weinig geld, mensen konden de huur van die nieuwbouw niet betalen en al in de twintiger jaren zette de crisis in.

In het boek wordt de eindstreep getrokken bij 1950, omdat er rond dat jaar een nieuw keerpunt ligt. Na de crisis en de oorlog begint dan eindelijk de bouw van huurwoningen voor arbeiders weer aan te trekken. De stilstand van de twintiger en dertiger jaren wordt doorbroken en daarnaast gaat de eigen architectuur van de Wederopbouw de aanblik van Nederland in hoog tempo bepalen. Dat geldt ook voor de Groningse dorpen, waar in 1950 de rijtjesbouw van het 1000-Woningenplan uit Ulrum zijn stempel zet op liefst 42 locaties. Aan dat 1000-Woningenplan wordt in het boek veel aandacht besteed: omdat daarin 31 gemeenten samenwerkten, omdat het een grote spreiding over de provincie had, omdat er een nieuw type woning werd geïntroduceerd en omdat toen het begrip ‘arbeiderswoning’ in onbruik raakte.

De hoofdstukken over het 1000-Woningenplan bestrijken maar een paar jaar en vormen één verhaal, opgehangen aan zijn initiatiefnemer, burgemeester Ottevanger van Ulrum. Zo bestaat het boek uit twee delen: het eerste deel over de decennia van 1900 tot 1940, het tweede over de jaren van 1947 tot 1952.

Groningen is bijzonder, maar het maakt deel uit van de wereld. Wat in Groningen gebeurde stond niet op zich. Gebeurtenissen elders, ook ideeën uit het buitenland, hebben hier hun invloed gehad. Architecten verzonnen hier niet alles zelf, ze hadden tijdschriften en nog tijd om te lezen. De aandacht gaat daarom een en andermaal naar Engeland, waar men vooropliep, ook met arbeiderswoningen. Zeker tot 1920 was Engeland in de woningbouw een belangrijk voorbeeld. Sterker nog, een Engels ontwerp voor arbeiderswoningen uit 1851 werkte een eeuw later nog door, tot in Groningen.

Twee wetten zijn in het boek belangrijk: de Woningwet van 1901 en de Landarbeiderswet van 1918. Voor wie onderzoek doet, zijn wetten een zegen, omdat ze veel documenten opleveren, die de overheid keurig in archieven moet bewaren. Bouwaanvragen bijvoorbeeld, met bouwtekeningen. Soms vallen ze bijna uit elkaar, soms zijn ze strak en helder en altijd is er de verrassing: zo zag dat huis er dus uit. Want, wat nog overeind staat, is meestal verbouwd. Het boek bevat veel bouwtekeningen op een leesbaar formaat en ze zijn een belangrijk middel om te tonen hoe de ontwikkeling van arbeidershuizen is gegaan. Vaak zijn ze net zo belangrijk als de tekst, met dank aan de tekenaars (en de archivarissen). De titel van het boek, Zestien vierkante meter is een oppervlaktemaat die op de getoonde bouwtekeningen geregeld is terug te vinden: het was een soort standaardmaat voor de woonkamer.

De eerste tien jaar van de Woningwet worden er nog nauwelijks arbeiderswoningen gebouwd. Men probeert een overzicht te krijgen van het woningbestand, van de enorme hoeveelheid kleine, slechte en verkrotte huizen en men doet pogingen om de ergste krotten op te ruimen. Omdat daar mensen in wonen en er geen andere huizen beschikbaar zijn, gaat dat moeizaam. Voor deze periode is vooral gebruik gemaakt van het archief van de vroegere gemeente Middelstum. De overgrootvader van de auteur speelde daar als architect een rol.

Na 1910 is er sprake van een bouwgolf van arbeiderswoningen, die tot kort na 1921 duurt. Met name Hoogkerk, Bedum en Ter Apel passeren de revue. Twee punten krijgen daarbij bijzondere aandacht: de indeling, de ongekende ruimte die de nieuwe arbeiderswoningen boden en daarnaast het ruimtelijk plan van een ‘tuindorp’, dat bij deze drie dorpen een rol speelde. Aanleiding om naar een Engels voorbeeld te kijken.

Met zijn suiker- en zijn strokartonfabrieken had Hoogkerk veel industriearbeiders, maar in grote delen van Groningen zat het werk in de landbouw. Dat werk liep terug, landarbeiders trokken weg en na 1900 dreigde leegloop. Er kwam een wet die landarbeiders moest binden door ze een eigen huis met wat grond aan te bieden. Deze Landarbeiderswet van 1918 behaalde zijn grootste succes in Groningen. Aan de typerende woningen, ‘plaatsjes’, is dat nog steeds goed te zien. Voor het zover kwam, vond een onderzoek plaats naar de leefsituatie van landarbeiders. In Groningen kwamen daar opvallende regionale verschillen uit naar voren, waarbij Westerwolde, de zuidoostpunt van de provincie, verrassend scoort. De bouw van landarbeiderswoningen vereiste een vorm van particulier initiatief, dat op verschillende plaatsen heel verschillend uitpakte, zoals blijkt in de vergelijking tussen Middelstum en Uithuizen. Grond is de grond van de zaak.

Ook - bijna- stilstand is een beschrijving waard. In de dertiger jaren lag de bouw van arbeiderswoningen op het Groningse platteland grotendeels stil. Crisis, geen geld. Eén van de uitzonderingen, een gemeente die in ieder geval probéérde te bouwen, was Vlagtwedde. Aan de hand van arbeiderswoningen blijkt wat een moeite dat kostte.

In een apart hoofdstuk wordt de stagnatie in de dertiger jaren in cijfers uitgewerkt en getoond hoe algemeen de stilstand in Groningse dorpen was. Al werd dat na 1945 niet gezegd, die stilstand was daar de belangrijkste oorzaak voor de naoorlogse woningnood. De keerzijde is, dat in de dertiger jaren in Groningen een forse stroom particuliere huizen werd gebouwd. Te opvallend om helemaal buiten beschouwing te laten.

Het boek wil arbeiderswoningen herkenbaar maken, als je door een dorp loopt of op het land fietst. Door de provincie heen zijn de overeenkomsten groter dan de verschillen: door de Woningwet, de Landarbeiderswet, de eisen van bouwverordeningen, voorgeschreven plattegronden en hygiënische voorzieningen, ontwikkelden arbeiderswoningen in dorpen zich volgens vergelijkbare patronen.
En dan, in 1950, komt die eenheid er opeens voor heel Groningen, als 31 gemeenten samenwerken in het 1000-Woningenplan. Die samenwerking en de ongekende omvang van dit bouwproject leveren een bijzonder verhaal met verrassende anekdotes op. De uniforme doorzonwoningen die dan in de dorpen worden gebouwd, zijn een mijlpaal en een eindpunt. We noemen ze geen arbeiderswoningen meer, maar rijtjeshuizen.

Arbeiderswoningen op het platteland

Herkent u ze, als u door Groningse dorpen rijdt? De eerste woningwetwoningen, de landarbeiderswoningen met hun kleine voorhuisjes en de vroegste rijtjes doorzonwoningen van na de oorlog? Op veel plaatsen staan ze nog.

Toch is er van hun geschiedenis weinig bekend. Waarom werden ze gebouwd, en wanneer precies? Wie kwam ervoor in aanmerking, hoe waren de huizen van binnen?

Verhalen over ongezonde huizen, nijpende woningnood, grote gezinnen in piepkleine kamers en hoe daar langzaam toch oplossingen voor werden gemetseld.

In september verschijnt bij Stichting Berlagehuis Usquert het boek Zestien vierkante meter, arbeiderswoningen op Groninger dorpen van 1900 tot 1950, geschreven door Joop Tilbusscher die hiervoor uitgebreid onderzoek heeft gedaan.

Een boek in A-4 formaat, 176 pagina’s, met heel veel oude en actuele foto’s en een bijzondere verzameling originele bouwtekeningen.

Winkelprijs € 16,00

Te koop in enkele geselecteerde boekwinkels en musea.